Fotografilosofie: Mijn onbedoelde bedevaartstochtje

Van Eindhoven naar Oirschot en Spoordonk en vervolgens via de nietszeggende dorpjes Oost-, West- én Middelbeers, Vessem en Wintelre terug naar de lichtstad. Dat was mijn semi-geplande route waar ik van af mocht wijken. Het Wilhelminakanaal bracht me plichtsgetrouw in Oirschot, waar ik op de Spoordonkseweg stuitte. Eenmaal in het volgende dorp aangekomen sloeg ik, gelijk met het klinken van de plaatselijke schoolbel, linksaf richting het Groene Woud.

Vanaf het moment dat ik Oirschot insloeg met mijn toerfietsje kwam ik borden tegen met het mysterieuze opschrift ‘H. Eik’, begeleid met een dwingende richtingaanwijzer. En toen ik, de 65+’ers met matchende fluorescerende fietskleding ondertussen passerend, voor de  veertiende keer het bord tegenkwam, kon ik me niet langer beheersen. De geur van de sparren diep inhalerend, volgde ik het weggetje dat mij het bos inzoog totdat er in de verte een stralend wit gebouwtje opdoemde. Daarbij een kleine parkeerplaats, gebruikte wandelpaden, netjes bijgehouden buxushagen en een strooiveld met bijbehorende strooi-instructies. Een heuse bedevaartsplaats.

Ik nam als enige plaats in de open kapel en liep onder de gietijzeren overkapping, voorbij de tientallen houten bankjes, door naar de voorste rij. Vanaf die plek naast het gangpad zag ik de tientallen kaarsjes branden en vrolijk bewegen met het binnenbriesje. Ik zag de verweerde natuurstenen tegels en Maria die weemoedig de ruimte inkeek, omringd door twee engelen. Ik hoorde de vogels die deze ruimte als een klankkast gebruikten én ik hoorde een persoon die stapje voor stapje naar mij toe liep. Als oud-communicantje wist ik dat achterom kijken onbeleefd zou zijn, dus toen de persoon zich dezelfde breedtegraad bevond als ik, draaide ik mijn hoofd licht en zag een oude, doorleefde man steunend aan de kerkbankjes plaats nemen aan de andere kant. Vanaf dat moment dansten de kaarsjes minder en floten de vogeltjes nog maar af en toe.

Daar, onder toeziend oog van Onze Lieve Vrouw Troosteres der Bedroefden, voelde ik de tranen van de oude man. Zijn lippen die, zacht fluisterend, onverstaanbare aaneengeregen gebeden leken te spreken. Zijn rechterwijsvinger die om de zoveel tellen een licht-slepende beweging onder zijn oogleden maakte. Zijn lichaam daarbij stil en doorleefd. Hij kende deze tranen immers, ze leken veel op zijn oude tranen, oude bekenden. Beheerst liet hij ze dan ook lopen aan de andere kant van het gangpad.

Op een van de vele oude bankjes in het omringende bos zag ik de oude man in zijn eigen tempo het kapelletje verlaten. Met zijn rug krom, zijn grote werkhanden langs zich lichaam bungelend en zijn tred enigszins bemoeilijkt door zijn oude knieën, liep hij het bos in. Daarbij zijn hoofd stevig naar de grond gebogen.
De vogels wisten dat stilte niet meer nodig was, waren hem inmiddels weer bemoedigend aan het toezingen en ondertussen verbleek mijn nietszeggende bedevaartstochtje bij zijn bedoelde bezoek aan dit oude kapelletje.