Fotografilosofie: De tiet van Julia

Een week geleden belandden mijn vriendin en ondergetekende in een, wat leek, streng katholiek klooster annex jeugdherberg in Verona. Een heuse ervaring. Bij binnenkomst deed de blik van de receptionisten ons denken dat ze hier wellicht een wat minder barmhartige God kenden. Van deze vriendelijke lieverds kregen we vervolgens te horen dat man en vrouw niet op één kamer mochten liggen, dus waren we aangewezen op de welbekende, immer zaligmakende dorms, die we deelden met luttele andere overnachters. Dit bleek die nacht niet de meest rustgevende omgeving. Het hevige schokkende gesnurk van mijn stapelbedgenoot en de achterbuurman die wakker schrok van zijn eigen scheet om half zes ’s morgens getuigen hiervan. Het was kortom echt vakantie.

Op de ochtend na onze aankomst werd het ontbijt tussen de werkelijk christelijke tijden half 8 en half 9 geserveerd. We genoten daar van een wit, droog bolletje met jam en liters koffie die koud stond te worden in chafing dishes. Oftewel, warmhoudbakken die bij de meeste lopende buffetten in Nederland gebruikt worden om de wiener schnitzels enigszins lauw te houden. Het was kortom echt vakantie.

Maar ondanks de slaapomgeving en het religieuze klimaat waar we ons in bevonden, hadden we toch de stoute wandelschoenen aangetrokken. Er moest immers een tiet aangeraakt worden vandaag. En niet zomaar eentje. Het betrof de rechtermieper van Julia (van Romeo), die na aangeraakt te zijn een portie geluk op zou leveren. Zoals gezegd was het echt vakantie.

Het fotografische resultaat van deze onderneming wijkt niet heel veel af van hoe ik meestal borsten aanraak. Met een enigszins eerbiedige, licht-zenuwachtige blik in mijn ogen die stijf gericht is op de ogen van de vrouw. Al sta ik er meestal niet voor in de rij. Bij Casa di Giulietta moesten we eerst nog een klein Italiaans meisje en een bepuiste, bebrilde Duitser met een Star Wars-shirt voor laten gaan om te poseren met Julia’s jopen om zo hun portie geluk op te eisen.

En laten we het meteen eens worden over de aard van deze foto. Het maken van deze foto was een automatisme, iedereen op dat kleine hofje daar deed hetzelfde. Wat dat betreft is er niets unieks aan, iedere Verona-bezoeker zal dit standbeeld in zijn of haar assortiment hebben en zal er verder geen emotionele waarde aan hechten. Het enige unieke is wellicht dat het hele ‘dit-brengt-geluk-idee’ grappig is. Dat honderden mensen per dag de handeling ook daadwerkelijk uitvoeren is daarentegen hilarisch. We lachen uiteindelijk allemaal om Julia’s kebeijers. Dat is misschien niet heel aardig, maar toch.

Het geluk dat me was beloofd was twee dagen later bij thuiskomst nergens te bespeuren. Wellicht wist Julia dat ik haar en haar bosje hout enigszins wilde bespotten. Met keelpijn, dichte oren en een loopneus zat ik weer mooi in Nederland. Wellicht bezorgde de toeter van Julia mij eerder een handjevol exotische bacteriën van over de hele wereld dan een flinke dosis geluk. Wat was het toch weer lekker vakantie.

Fotografilosofie: Mijn onbedoelde bedevaartstochtje

Van Eindhoven naar Oirschot en Spoordonk en vervolgens via de nietszeggende dorpjes Oost-, West- én Middelbeers, Vessem en Wintelre terug naar de lichtstad. Dat was mijn semi-geplande route waar ik van af mocht wijken. Het Wilhelminakanaal bracht me plichtsgetrouw in Oirschot, waar ik op de Spoordonkseweg stuitte. Eenmaal in het volgende dorp aangekomen sloeg ik, gelijk met het klinken van de plaatselijke schoolbel, linksaf richting het Groene Woud.

Vanaf het moment dat ik Oirschot insloeg met mijn toerfietsje kwam ik borden tegen met het mysterieuze opschrift ‘H. Eik’, begeleid met een dwingende richtingaanwijzer. En toen ik, de 65+’ers met matchende fluorescerende fietskleding ondertussen passerend, voor de  veertiende keer het bord tegenkwam, kon ik me niet langer beheersen. De geur van de sparren diep inhalerend, volgde ik het weggetje dat mij het bos inzoog totdat er in de verte een stralend wit gebouwtje opdoemde. Daarbij een kleine parkeerplaats, gebruikte wandelpaden, netjes bijgehouden buxushagen en een strooiveld met bijbehorende strooi-instructies. Een heuse bedevaartsplaats.

Ik nam als enige plaats in de open kapel en liep onder de gietijzeren overkapping, voorbij de tientallen houten bankjes, door naar de voorste rij. Vanaf die plek naast het gangpad zag ik de tientallen kaarsjes branden en vrolijk bewegen met het binnenbriesje. Ik zag de verweerde natuurstenen tegels en Maria die weemoedig de ruimte inkeek, omringd door twee engelen. Ik hoorde de vogels die deze ruimte als een klankkast gebruikten én ik hoorde een persoon die stapje voor stapje naar mij toe liep. Als oud-communicantje wist ik dat achterom kijken onbeleefd zou zijn, dus toen de persoon zich dezelfde breedtegraad bevond als ik, draaide ik mijn hoofd licht en zag een oude, doorleefde man steunend aan de kerkbankjes plaats nemen aan de andere kant. Vanaf dat moment dansten de kaarsjes minder en floten de vogeltjes nog maar af en toe.

Daar, onder toeziend oog van Onze Lieve Vrouw Troosteres der Bedroefden, voelde ik de tranen van de oude man. Zijn lippen die, zacht fluisterend, onverstaanbare aaneengeregen gebeden leken te spreken. Zijn rechterwijsvinger die om de zoveel tellen een licht-slepende beweging onder zijn oogleden maakte. Zijn lichaam daarbij stil en doorleefd. Hij kende deze tranen immers, ze leken veel op zijn oude tranen, oude bekenden. Beheerst liet hij ze dan ook lopen aan de andere kant van het gangpad.

Op een van de vele oude bankjes in het omringende bos zag ik de oude man in zijn eigen tempo het kapelletje verlaten. Met zijn rug krom, zijn grote werkhanden langs zich lichaam bungelend en zijn tred enigszins bemoeilijkt door zijn oude knieën, liep hij het bos in. Daarbij zijn hoofd stevig naar de grond gebogen.
De vogels wisten dat stilte niet meer nodig was, waren hem inmiddels weer bemoedigend aan het toezingen en ondertussen verbleek mijn nietszeggende bedevaartstochtje bij zijn bedoelde bezoek aan dit oude kapelletje.