Hoe we meer kunnen halen uit onze herinneringen

Hoeveel tijd en geld wij spenderen aan nieuwe ervaringen en avonturen. Het is ongekend. We boeken vliegtickets, bezoeken stranden, bewonderen gletsjers, zwaaien naar wilde pinguïns, springen van bruggen, zien olifanten drinken en ga zo maar door. De nadruk in al deze belevingen ligt vrijwel altijd op de beleving zelf – die draag je een bepaalde tijd bij je en dan verdwijnt die. Het idee om deze ervaring in je geheugen nog eens te herbeleven klinkt misschien een beetje raar – en misschien zelfs treurig. “Hoe we meer kunnen halen uit onze herinneringen” verder lezen

Op avontuur op een seniorencamping

Flashback:

Er vliegt een gier boven de vallei. Er drijft een stuk kaas in onze koelbox. De plek waar onze tent staat is de mooiste die hij ooit gezien heeft. Een Spaanse koe met een bel loopt langs – er is niks dat onze horizon vervuilt. Zojuist hebben we ons primitieve kamp opgesteld boven op een berg met uitzicht over het dorp. Het is stinkend heet en er zitten twee vliegjes in mijn neus. Het interesseerde me zelden zo weinig. “Op avontuur op een seniorencamping” verder lezen

Fotografilosofie: Wat de bestemming ook moge zijn, moge het een reis zijn

Vandaag ga ik aan de hand van een acht-jaar oude foto terug naar de dorpse contreien waar ik ben getogen. Hier is het nóg rustiger dan de relatief grote rust die in het dorp heerst. Dit zandweggetje ligt net buiten die dorpskern en het kent een geleidelijke afdaling naar de rustig kabbelende Tungelroyse Beek. Tegelijk met het passeren van de beek, passeer je de dorpsgrens met aan de linkerzijde twee grote zwarte populieren als natuurlijke afscheiding. Dan de bekende weilanden, greppels, boerderijen, stallen, bomen. Alles is mij bekend, maar doet nu toch weer nieuw aan. Niet omdat het gebied veranderd is, in tegendeel, maar omdat ik, de aanschouwer, anders kijk dan vroeger. “Fotografilosofie: Wat de bestemming ook moge zijn, moge het een reis zijn” verder lezen

De wereld komt naar Salzburg (en ook naar jou)

Met blocnote en pen trok zij, daar aan de keukentafel, de wereld in. Alle boeken, albums, documentaires en fotografen die wij opperden werden zorgvuldig genoteerd om later ontdekt te gaan worden. Wij noteerden op onze beurt weer allerhande tips van haar. Het was kortom een standaardmoment uit een Couchsurf-ontmoeting, dit keer met Andrea (51), praktiserend wereldverbeteraar uit Salzburg. Na negen uur rijden stonden we eind juli in die Oostenrijkse stad aan het begin van onze vakantie. We hadden net de auto geparkeerd toen we al hartelijk werden ontvangen door onze host. Na een korte rondleiding door de (eetbare) tuin, de twee kamers aan de achterzijde van het huis én de  keuken annex woonkamer aan de voorzijde liepen we langs de Salzach de oude UNESCO-stad in. Hoezee! “De wereld komt naar Salzburg (en ook naar jou)” verder lezen

Fotografilosofie: De tiet van Julia

Een week geleden belandden mijn vriendin en ondergetekende in een, wat leek, streng katholiek klooster annex jeugdherberg in Verona. Een heuse ervaring. Bij binnenkomst deed de blik van de receptionisten ons denken dat ze hier wellicht een wat minder barmhartige God kenden. Van deze vriendelijke lieverds kregen we vervolgens te horen dat man en vrouw niet op één kamer mochten liggen, dus waren we aangewezen op de welbekende, immer zaligmakende dorms, die we deelden met luttele andere overnachters. Dit bleek die nacht niet de meest rustgevende omgeving. Het hevige schokkende gesnurk van mijn stapelbedgenoot en de achterbuurman die wakker schrok van zijn eigen scheet om half zes ’s morgens getuigen hiervan. Het was kortom echt vakantie.

Op de ochtend na onze aankomst werd het ontbijt tussen de werkelijk christelijke tijden half 8 en half 9 geserveerd. We genoten daar van een wit, droog bolletje met jam en liters koffie die koud stond te worden in chafing dishes. Oftewel, warmhoudbakken die bij de meeste lopende buffetten in Nederland gebruikt worden om de wiener schnitzels enigszins lauw te houden. Het was kortom echt vakantie.

Maar ondanks de slaapomgeving en het religieuze klimaat waar we ons in bevonden, hadden we toch de stoute wandelschoenen aangetrokken. Er moest immers een tiet aangeraakt worden vandaag. En niet zomaar eentje. Het betrof de rechtermieper van Julia (van Romeo), die na aangeraakt te zijn een portie geluk op zou leveren. Zoals gezegd was het echt vakantie.

Het fotografische resultaat van deze onderneming wijkt niet heel veel af van hoe ik meestal borsten aanraak. Met een enigszins eerbiedige, licht-zenuwachtige blik in mijn ogen die stijf gericht is op de ogen van de vrouw. Al sta ik er meestal niet voor in de rij. Bij Casa di Giulietta moesten we eerst nog een klein Italiaans meisje en een bepuiste, bebrilde Duitser met een Star Wars-shirt voor laten gaan om te poseren met Julia’s jopen om zo hun portie geluk op te eisen.

En laten we het meteen eens worden over de aard van deze foto. Het maken van deze foto was een automatisme, iedereen op dat kleine hofje daar deed hetzelfde. Wat dat betreft is er niets unieks aan, iedere Verona-bezoeker zal dit standbeeld in zijn of haar assortiment hebben en zal er verder geen emotionele waarde aan hechten. Het enige unieke is wellicht dat het hele ‘dit-brengt-geluk-idee’ grappig is. Dat honderden mensen per dag de handeling ook daadwerkelijk uitvoeren is daarentegen hilarisch. We lachen uiteindelijk allemaal om Julia’s kebeijers. Dat is misschien niet heel aardig, maar toch.

Het geluk dat me was beloofd was twee dagen later bij thuiskomst nergens te bespeuren. Wellicht wist Julia dat ik haar en haar bosje hout enigszins wilde bespotten. Met keelpijn, dichte oren en een loopneus zat ik weer mooi in Nederland. Wellicht bezorgde de toeter van Julia mij eerder een handjevol exotische bacteriën van over de hele wereld dan een flinke dosis geluk. Wat was het toch weer lekker vakantie.

Fotografilosofie: Mijn onbedoelde bedevaartstochtje

Van Eindhoven naar Oirschot en Spoordonk en vervolgens via de nietszeggende dorpjes Oost-, West- én Middelbeers, Vessem en Wintelre terug naar de lichtstad. Dat was mijn semi-geplande route waar ik van af mocht wijken. Het Wilhelminakanaal bracht me plichtsgetrouw in Oirschot, waar ik op de Spoordonkseweg stuitte. Eenmaal in het volgende dorp aangekomen sloeg ik, gelijk met het klinken van de plaatselijke schoolbel, linksaf richting het Groene Woud.

Vanaf het moment dat ik Oirschot insloeg met mijn toerfietsje kwam ik borden tegen met het mysterieuze opschrift ‘H. Eik’, begeleid met een dwingende richtingaanwijzer. En toen ik, de 65+’ers met matchende fluorescerende fietskleding ondertussen passerend, voor de  veertiende keer het bord tegenkwam, kon ik me niet langer beheersen. De geur van de sparren diep inhalerend, volgde ik het weggetje dat mij het bos inzoog totdat er in de verte een stralend wit gebouwtje opdoemde. Daarbij een kleine parkeerplaats, gebruikte wandelpaden, netjes bijgehouden buxushagen en een strooiveld met bijbehorende strooi-instructies. Een heuse bedevaartsplaats.

Ik nam als enige plaats in de open kapel en liep onder de gietijzeren overkapping, voorbij de tientallen houten bankjes, door naar de voorste rij. Vanaf die plek naast het gangpad zag ik de tientallen kaarsjes branden en vrolijk bewegen met het binnenbriesje. Ik zag de verweerde natuurstenen tegels en Maria die weemoedig de ruimte inkeek, omringd door twee engelen. Ik hoorde de vogels die deze ruimte als een klankkast gebruikten én ik hoorde een persoon die stapje voor stapje naar mij toe liep. Als oud-communicantje wist ik dat achterom kijken onbeleefd zou zijn, dus toen de persoon zich dezelfde breedtegraad bevond als ik, draaide ik mijn hoofd licht en zag een oude, doorleefde man steunend aan de kerkbankjes plaats nemen aan de andere kant. Vanaf dat moment dansten de kaarsjes minder en floten de vogeltjes nog maar af en toe.

Daar, onder toeziend oog van Onze Lieve Vrouw Troosteres der Bedroefden, voelde ik de tranen van de oude man. Zijn lippen die, zacht fluisterend, onverstaanbare aaneengeregen gebeden leken te spreken. Zijn rechterwijsvinger die om de zoveel tellen een licht-slepende beweging onder zijn oogleden maakte. Zijn lichaam daarbij stil en doorleefd. Hij kende deze tranen immers, ze leken veel op zijn oude tranen, oude bekenden. Beheerst liet hij ze dan ook lopen aan de andere kant van het gangpad.

Op een van de vele oude bankjes in het omringende bos zag ik de oude man in zijn eigen tempo het kapelletje verlaten. Met zijn rug krom, zijn grote werkhanden langs zich lichaam bungelend en zijn tred enigszins bemoeilijkt door zijn oude knieën, liep hij het bos in. Daarbij zijn hoofd stevig naar de grond gebogen.
De vogels wisten dat stilte niet meer nodig was, waren hem inmiddels weer bemoedigend aan het toezingen en ondertussen verbleek mijn nietszeggende bedevaartstochtje bij zijn bedoelde bezoek aan dit oude kapelletje.

Een ubervette reis die bijna ons einde betekende

Nog nooit zat ik in een nieuwere auto dan de Ferrari rode Toyota van Ketut. Toen wist ik nog niet dat die auto een hoop van zijn nieuwigheid tijdens de rit zou verliezen.

Uber. Een logische ontwikkeling in een land waar taxiritten standaard te duur zijn en de service afwezig is. Maar dat niet iedereen blij is met deze spotgoedkope taxidienst bewijzen de blauwe plekken van Ketut.

Uber is op sommige plekken in Indonesie verboden, maar op Bali mag het nog wel. Al wil dat niet zeggen dat het ook wordt getolereerd. Op plekken waar veel officiële taxi’s staan (Blue Bird) kunnen de uberchaufeurs beter weg blijven. Op veel plekken verspreid over het eiland staan borden waarop in niet mis te verstane afbeeldingen staat dat taxidiensten als Uber en Grab Cab er niet worden getolereerd.

Ondanks dat doen wij er toch alles aan om van deze dienst gebruik te maken. Want: spotgoedkoop. Als in: de helft van de helft van wat je bij lokale beunhazen betaalt. En dat scheelt toch aardig wat Bin Tang als je een paar weken op weg bent.

De eerste rit was dan ook perfect. De chauffeur was uiterst sympathiek, sprak goed Engels, reed niet als een mongool en wilde ook nog eens een liedje voor ons zingen. Hij reed ons in 2,5 uur van Ulu Watu naar Padang Bai. We gaven hem drie euro en bedankte hem vriendelijk. Onze relatie met Uber kon niet meer stuk.

De tweede rit bracht ons een week later van Padang Bai naar Amed. Een tocht die toch al vrij lang is, maar nog langer duurt als je overal dertig kilometer per uur rijdt. We zijn er achteraf gezien uiterst zeker van dat de betreffende chauffeur geen rijbewijs had, laat staan enige vorm van gezond verstand. We hebben op bepaalde plekken aangeboden om uit te stappen en mee te duwen maar dat was dan toch niet nodig.

Als je denkt: hee Jellie, hoe durf je zo te klagen voor zo’n prijs. Dan zeg ik: Praat verder met me als je jezelf een keer n Azië vijftig cent ziet afpingelen van een local wiens gehele vermogen jij in één weekend opdrinkt.  Hypocriet! Bovendien, als jij je er aan stoort, kun je beter niet verder lezen.

Nou. Verder met het verhaal.

Ketut was anders. We hadden een lange rit voor de boeg, van Amed naar Kuta, maar dat moest in die gloednieuwe bak wel goed komen. Onze nieuwe chauffeur leek uiterst aardig en hij begon al snel te vertellen over de dingen waar wij naar vroegen. Ketut was net failliet gegaan. Hij had een eettent in Canggu maar toen werd zijn moeder ziek en moest hij kiezen. Hij koos voor zijn moeder maar heeft toen wel zijn tent moeten sluiten. Dit klinkt allemaal niet zo spannend, maar bedenk hier even bij dat Ketut dit vertelde met de levenslust van een grafdelver terwijl hij met 130 km/ph over een bergpas reed.

Al met al hadden we alle reden om aan te nemen dat onze beste man zich binnen afzienbare tijd snoeihard van een klif af zou rijden. Deze man had niet alleen geen rijbewijs en geen verstand, deze man had überhaupt niks meer om voor te leven. De inhaal manoeuvres waren zo extreem ondoordacht dat ik de neiging had een helm op te zetten en een kruis te slaan. Vlak voor een bocht met tachtig kmh nog even snel een vrachtwagentje inhalen en dan toch concluderen dat er op magische wijze een auto van de andere kant komt. Gelukkig staan de ramen wagenwijd open. Het suizen overstemt mijn angsten.

Toen ging het mis.

Vlak voor een bocht begint onze Ketut weer op beestachtige wijze op te trekken om iemand in te halen. We zien al dat het niet gaat lukken, maar hij probeert het toch. Een busje nadert op hoge snelheid onze auto en lijkt niet bereid af te remmen. Ketut weet er nog een laatste acceleratie uit te knijpen en gooit dan het stuur naar links om weer op de juiste baan te komen. Te laat. Als in een explosie knijpen we alledrie onze ogen dicht terwijl glasscherven en plastic zich diep in onze stoelen snijden. De rechter buitenspiegel is met negentig kmh van de auto gereden terwijl onze ramen open staan.

Op wonderbaarlijke wijze is het grootste stuk glas tegen de stoel van Dyon aangekomen in plaats van in zijn halsslagader en dat stemt ons gelukkig. Ketut zegt duizend keer sorry en is zichtbaar figuurlijk de weg kwijt. We rijden door. Want dat is blijkbaar wat je doet als je een bijna doodervaring hebt gehad in een niet meer zo nieuwe taxi. In de paar kwartier die volgen rijdt er nog een scooter tegen de zijkant en schraapt de chauffeur in een te smalle straat met zijn andere spiegel langs de muur af. Opgelucht stappen we uit en geven de chauffeur 3,5 euro. Wat verwacht je van een rit die in Nederland minimaal honderd euro zou kosten.

IMG-20160406-WA0040